Column: ‘Afzien’

 In Nieuws | Overig

“Afzien is een beladen onderwerp, een beladende beleving, waar wij als (ex-)wielrenners veelvuldig mee te maken hebben (gehad). De Dikke van Dale schrijft erover: afzien is zwaar lijden, ploeteren, de pijngrens overschrijdend. Aanvullend hierop: een bepaalde fase van bewust verdragen van ongemak. Afzien kent twee varianten: mentaal en fysiek. Fysiek afzien doet zich voor bij honger, kou, pijn en extreme inspanning. Denk bij deze laatste aan het lopen van een marathon of het per fiets beklimmen van een lange, zware klim, zoals de Mont Ventoux.

Mentaal afzien doet zich voor als je psychisch en/of emotioneel zwaar belast wordt. Hierbij gaat het om het doorstaan van stress, druk, angst of twijfel. Voorbeelden: lang moeten doorzetten, terwijl je geen motivatie meer voelt. Twijfelen aan jezelf, maar toch doorgaan. Onder hoge druk moeten presteren. Emotioneel lijden, zoals verdriet bij rouw of frustraties, die je maar moeilijk kunt verdragen. In de sport hoor je het vaak: iemand die mentaal afziet, zit misschien fysiek nog oké, maar moet vooral vechten tegen zijn eigen gedachten. Denk ik hierbij aan wielrennen, dan denk ik aan de Olympische rit in 1972 van Hennie Kuiper. Dan durf ik wel te stellen dat fysiek- en mentaal afzien zijn samengegaan. Immers, je ligt voorop, je hebt een geringe voorsprong, je levert een maximale inspanning, maar tegelijkertijd ben je mentaal aan het afzien: “Hoe lang moet ik nog, pakken ze me nog terug?” Twijfel en angst ‘fietsen mee.’ Denk hierbij ook aan zijn heroïsche overwinning in Parijs-Roubaix: tot de valpartij zal het vooral fysiek afzien zijn geweest, maar na de val zal er ook heel veel metaal afzien bij zijn gekomen. Het stresslevel zal met sprongen vooruit zijn gegaan, dunkt me: “Hou ik genoeg voorsprong, komen ze nog terug?” Het moge duidelijk zijn: afzien is een complex, ingewikkelde situatie en beleving.

Kenmerkend voor afzien:

  1. Het is niet passief, je kiest ervoor om niet op te geven
  2. Afzien heeft vaak een doel: groei, prestatie
  3. Achteraf kan het voldoening geven: het was zwaar, maar het was het waard.

Afzien versus lijden: lijden overkomt je vaak terwijl afzien meestal een bewuste acceptatie van lijden is. Afzien is dan ook nog zeer subjectief:  de ene renner kan zich er beter mee redden dan de andere. Het is vaak maar net wat iemands wilskracht en motivatie op het betreffende moment is. Misschien heeft afzien ook wel een beetje masochistisch in zich!?

Kan afzien ook als ‘prettig’ worden ervaren, heb ik mij vaak afgevraagd. Ik heb (slechts) enkele momenten in mijn lange wielercarrière gehad, dat ik me onverslaanbaar heb geacht; “Niks en niemand rijdt mij vandaag los!” Op deze momenten beleefde ik afzien als niet onprettig. Goede (prof)renners moeten dit meermalen hebben meegemaakt, dunkt mij. Als je Pogacar ziet wegfietsen, dan denk je toch bijna dat het bij hem vanzelf gaat… Idem dito loop ik  dat gevoel vaak op bij van der Poel. Zeker bij het crossen: hij staat erg gemotiveerd aan de start en vrijwel zeker weet hij vooraf dat hij gaat winnen. Hij kan zich bijna onverslaanbaar achten. Ook hier moet ‘afzien’ een bijzondere dimensie hebben. Het kan ook anders: als ik denk aan die heroïsche overwinning van Boogerd op La Plagne, dan moet hij wel bij de beesten af, hebben afgezien! Nog een ander voorbeeld: hoe anders moet Herman Snoeijink afgezien hebben vooral fysiek, maar met 357 overwinningen moet hij altijd veel anders aan de start hebben gestaan, dan ik. Het moet immers toch een heel ‘lekker gevoel’ zijn geweest, als je aan de start staat en dat je vooraf al bijna zeker weet dat je weer een zeer grote kans maakt om weer te winnen! En dus vermoed ik ook hier, dat afzien een heel bijzondere dimensie heeft gehad, namelijk afzien in het teken van winnen. Ik stel mijzelf de vraag: “Heb ik veel afgezien?” Tja, een penibele vraag. Uiteraard heb ik regelmatig afgezien, relatieve kortdurende momenten. Ik had beperkte fysieke mogelijkheden. Reed vrijwel uitsluitend criteriums van rond de 50 kilometer met af en toe een klassieker van miximaal 100 kilometer. Dus je was ‘snel’ klaar in vergelijking op de profs. Meestal was ik tevreden; als ik de koers tot een goed einde had gebracht én als ik dan ook nog in de prijzen reed, dan was het helemaal goed. ‘Uitrijden en aanklampen,’ dat was het motto en daarvoor moest ik vaak genoeg het nodige afzien.

Ter relativering: echt afzien (lees: mentaal) heb ik meegemaakt in 1997 toen ik drie maanden aaneen in het ziekenhuis diende plat te liggen. Daarbij stellen mijn fysieke afzien momenten weinig voor. Enige relativering is dus wel op zijn plaats.”

Theo Sleiderink

Recent Posts